Jurg van Beem
In 1972 vertellen omroepers en technici van het eerst uur van Veronica hoe het er aan toeging. Het is nog twee jaar voordat het doek gaat vallen voor Veronica als zeezender en alweer 12 jaar geleden dat Veronica begon. In die twaalf jaar is er veel veranderd en gebeurt. Lees en geniet mee met de Veronica Story’s van de mensen van het eerste uur zoals zij er in 1972 tegen aan keken.
“ik was een echte mooi-weer-vaarder”
Hoe ik eigenlijk bij radio Veronica te- recht gekomen ben? Nou, he, via Nol Vis. Die was al een half jaartje hier in dienst en we vogelden wel eens wat samen. Nol en ik zaten vroeger bij elkaar op school en toen hij bij Veronica ging werken, kwam ik af en toe kijken en dan mocht ik ook wel eens helpen. Toen werd die Engelse cel in de oude studio omgebouwd en daar hadden ze een nieuwe technicus voor nodig. Nou ja, ik liep er toch al rond en dus namen ze me maar in dienst. Dat ging trouwens erg vreemd. Ik werd aangenomen door Karel en die ging naar oom Bul! en zegt: „nou he, deze jongen wordt hier technicus’. Toen zegt oom Bull: ,Verwey is de naam’. Ik heel netjes ]urg van Beem zeggen, want ik kende ‘m helemaal niet. Toen zegt ie tegen mij: ,dat komt goed uit dat je er bent, want oom Piet is ziek en de post moet worden uitgezocht.” Nou was er toen nog wel niet zoveel post als nu, maar het was toch een postzak vol. Je begrijpt dat ik wel even stond te kijken. Vooral toen bleek dat ik het een paar dagen achtereen moest doen. Ik wou al bijna weer ontslag nemen, toen Karel me kwam halen om een programma op te nemen. Nu ik het toch over Karel heb; hij ging in 1963 trouwen en Nol en ik hadden banden met bruidsmuziek gemaakt om die in het raadhuis in Amsterdam tijdens de plechtigheid te draaien. Nou, dat was een toestand in Amsterdam. De ene ambtenaar vond het wel goed en de ander weer niet. We moesten van het kastje naar de muur lopen. Uiteindelijk krijgen we dan toch toestemming van de vogel die Karel moest trouwen.
Wij een plechtig gezicht opgezet en voor een stemmig stukkie muziek gezorgd tijdens het huwelijk. Nou was er één moeilijkheid, we hadden maar één recorder en we wilde ook de trouwrede opnemen. De bruidsmars is afgelopen, iedereen gaat zitten en meteen begint die vogel aan zijn rede. Terwijl wij nog de hele band moesten terug- spoelen. Ik naar die man toe en vragen of hij even wilde wachten. Ik heb nog nooit iemand zo vreemd zien kijken. Maar goed, hij deed het toch. En terwijl iedereen in de zaal een beetje zat te lachen brak tijdens het terugspoelen ook nog de band. Gelukkig hadden we wat sellotape bij ons, waar we een beetje geïmproviseerd mee konden plakken, maar het was wel een ellende. Ik geloof dat het wel een minuut of twintig duurde voor hij eindelijk aan die rede kon beginnen. We hebben hem later nog een kopietje gestuurd en hij was er nog blij ook mee. Karel trouwens ook. Die draait ‘m elk jaar weer af voor zijn vrouw. Zo van: „weet je nog wel”.
Het was wel een gekke tijd in het begin, hoor. We I hadden bijvoorbeeld geen planning zoals nu. ]e kwam ‘s ochtends gewoon en was er wel de een of andere deejay die met je op wilde nemen. Het was allemaal niet zó efficiënt, maar het bevorderde wel de stemming. En als er veel werk was, omdat we om wat voor reden dan ook achter geraakt waren, dan werkten we tot s’ avonds heel laat door; sliepen dan in de studio en gingen de volgende morgen weer verder. En toch ging het wat minder serieus he. Als het mooi weer was en je had zin om een paar uur in de zon in Loosdrecht te gaan liggen, dan deed je dat gewoon. Daar zei helemaal niemand wat van. Als het dan helemaal uit de hand liep, dan codeerde je gewoon een paar ouwe banden opnieuw en dan werden ze nog een keer uitgezonden. Er werden ook erg veel programma’s non stop gemaakt. Dat komt nu bijna niet meer voor. Ik geloof ook niet dat je dat nu zou kunnen maken. De luisteraars zijn gewend geraakt aan gepresenteerde programma’s. In 1964 ben ik naar boord gegaan. Ik was namelijk verloofd met Willy Hogenbirk; dat was het hoofd van onze reclameafdeling en het ging niet zo goed met z’n tweetjes in eén bedrijf. Het was een nogal stevige tante, die ervan hield de boel te regeren en dat gaf dan wel eens wat moeilijkheden. Ik ben toen voor een poosje aan boord gegaan, maar dat was wel een heel ander leven. De werkte een week op en een week af en dat is wel een goeie planning, maar ja, je zit er met tien kerels, hè, en dat blijven kerels. Op zichzelf niet zó erg, maar wel vervelend als je s’ zomers met een verre- kijker naar het strand stond te kijken waar allemaal mooie vrouwen in badpak rondhuppelde.
En dan de ontberingen die je doormaakt. Neem nou eens storm. ]e hebt dan geen minuut rust. Het enige wat je kunt doen is slapen. Nou, ja, slapen. De ligt en daar is dan alles mee gezegd. Tenslotte ligt dat ding geen moment stil. En onweer bijvoorbeeld. Tjonge, zoiets maak je je hele leven niet meer mee. Wij zijn het hoogste punt op zee en als de bui boven je hangt dan slaat de bliksem onmiddellijk in. Met de huidige zender valt dan automatisch de hoogspanning uit. De bliksem vloeit dan af en de spanning komt weer te- rug. Toen moesten we dat nog met een handschakelaartje doen. Bliksem d’er in. Schakelaartje om. Hoogspanning eruit. Bliksem weg. Schakelaartje weer in de ouwe stand en de spanning was er weer. Ik heb het meegemaakt dat we om de anderhalve seconde een blikseminslag hadden. Dat was op een avond. We zijn twee uur de lucht uitgeweest, want er was geen houden aan. Van die hele grote luchtcondensatoren waren krom getrokken van de spanning. We zijn toen met z’n allen in de kombuis gaan zitten; deur dicht en dan krijg je de kooi van faraday. Maar omdat de zender eruit was geslagen, gebeurde er opeens allemaal vreemde dingen. De bliksem liep via de antenne, langs de lamp naar beneden en dat kon je zien hoor, dat kon je gewoon allemaal zien. Maar het krankzinnigste moet nog komen.
Via de railing van het schip sloeg ie op de koperen bel en weer terug. Het was net of er iemand stond te bellen het was ontzettend eng. Vooral ook omdat het klaarlichte dag leek. Je kon gewoon schepen voorbij zien varen. Allemaal in zo’n oranje gloed. Het leek wel het spookverhaal van de vliegende Hollander. Ik kon me achteraf goed voorstellen dat veel zeelui bijgelovig zijn. We stonden daar allemaal op een hoopie in de kombuis en de één was nog banger dan de ander. We hebben allemaal een vrij langdurig gesprek met onze lieve heer gehad. En het heeft nog geholpen ook, want we zijn er door- heen gerold. Veel van dit soort avonturen heb ik trouwens aan boord niet meegemaakt. Ik was bijna nooit aan boord als er storm was. Ik ben wat ze aan boord noemen, een mooiweervaarder. Ik slofte altijd, nou ja bijna altijd.
Ik heb één keer een pittig orkaantje meegemaakt. En dat was nog wel op oudejaarsavond Het stormde jongen, dat hou je niet voor mogelijk. Enorme golven die over het schip denderde. En een lawaai, het lijkt dan wel of de hele wereld vergaat. Ontzettend angstaanjagend. Vooral omdat wij aan een ketting liggen en het schip meer klappen krijgt dan een varend schip. Nou hadden we omdat het oud en nieuw was een paar flessen drank mee naar boord genomen en iedereen nam wat meer en sneller in dan gewoonlijk, zodat we tegen een uur of één ‘s nachts niet helemaal meer in aanmerking kwamen voor het predicaat .nuchter”. En toen vielen alle lichten uit. Moet je nagaan; midden in de nacht tijdens een storm. Ik was van angst meteen weer nuchter. Nou was het zo dat als de zender de lucht uitging, dan stopte de hoofdmotor en gingen we op een lichtaggregaat over. En daar was duidelijk iets mee aan de hand. Ik op onderzoek uit. Ga d’r maar aan staan. In pikkedonker. Eerst het dek op in vliegen- de storm. Dan het trappetje af naar het onderschip waar de aggregaat staat. En terwijl ik me langzaam naar beneden laat zakken, voel ik opeens iets nattigs. Ik denk, nou is het gebeurd met ons. Er is water naar binnen ge- komen, dus we zijn aan het zinken. Ik hing gewoon verlamd van schrik tegen dat trappetje aan en dat was net voldoende om die paniek reactie van hard weglopen te onderdrukken het stonk er namelijk ontzettend naar dieselolie en toen ik me nog wat liet zakken om te voelen wat het voor vloeistof was, merkte ik dat het geen water, maar olie was. De leiding was natuurlijk losgesprongen en daarom was de motor er ook mee gestopt. Ik heb toen zo’n drie uur tot aan mijn liezen in olie gestaan om het spul te repareren.
Zoiets vergeet je ook niet gauw hoor. Maar we waren ook zat leuke dingen aan boord, we gingen bijvoorbeeld in zee zwemmen op een hele speciale manier. Door de sterke stroom kun je namelijk niet gewoon zwemmen. Nee, we sprongen van de kop af in zeeën lieten ons dan een heel eind meedrijven. Dat kon, want het schip ligt altijd met de kop in de stroom en we hadden achter het schip een hele lange lijn met een mand eraan. En je kwam altijd ongeveer bij die mand uit. We gingen ook vaak met het bootje de zee op. Vissen met een garnalennet. Ontzettend goed gaat dat, en we maakten weleens een uitstapje naar het strand. Dat mocht eigenlijk niet, maar ja. Als je al die gezelligheid van uit de verte zag, dan was de verleiding ge- woon te groot en dan gingen we ook een paar uur het strand op. Het was natuurlijk wel erg onverantwoordelijk, want ik was de enige zendertechnicus aan boord. Als ik ging vissen of op het strand, dan was er niemand om op de zender te letten. Nou nam ik wel altijd een zakradiootje mee en als je die aanzette en je hoorde muziek, dan dacht: „hij is er nog, ik kan nog wel effen blijven zitten’.
Tags: Jurg van Beem, mooiweervaarder, Nol Vis, Veronica 192, Zeezender
Categories:
Personen
